Efficiency voor burgers leidraad voor naderende transities

5 sep 2011

De aankomende decentralisatie van overheidstaken kan leiden tot de gewenste en benodigde efficiency.  Daar is echter wel een kanteling van het gesignaleerde managementprobleem voor nodig, te weten een verschuiving van de focus op het eigen organisatieprobleem naar het probleem van de burger.

Er komt de komende tijd heel wat af op de gemeenten en de gemeentelijke voorzieningen. Denk maar aan de decentralisatie van de jeugdzorg; passend onderwijs; harmonisatie van de voorschoolse voorzieningen; de Wet Werken Naar Vermogen; en overheveling taken uit de AWBz naar de WMO. De meeste van deze overhevelingen worden gepresenteerd als een managementprobleem. Er is een efficiencyslag nodig. Mede daarom gaan de overhevelingen gepaard met kleinere budgetten.

In al dat geweld raken we het zicht op diegenen voor wie het doen wel eens kwijt: ouderen, jongeren, ouders, verzorgers en niet te vergeten de kinderen. Want al die wets- en stelselwijzigingen komen niet alleen op de uitvoerende professionals, de coördinatoren en de beleidsmakers af, maar ook op al die mensen die er nu en in de toekomst gebruik van (zullen) maken.

 Wiens managementprobleem is het eigenlijk?

De overhevelingen bieden echter ook een grote kans. Dit is het moment om ervoor te zorgen dat niet alleen het managementprobleem van de overheid wordt opgelost, maar ook het managementprobleem van de inwoners van dit land.  Sterker nog, efficiency voor de bewoners zou leidend moeten zijn voor alle beleidswijzigingen die hen aangaan. Het gaat immers om dienstbaarheid aan de burger en een dienstverleningsmodel dat daarop is toegerust. Daarbij leidt efficiency voor bewoners vaak ook tot efficiency voor de professionals: Geen aparte loketten meer voor bijzondere bijstand, opvoedingsvragen, indicatiestellingen, of ondersteuning van mantelzorgers.

 Investeer

In plaats van loketten kunnen de gemeenten investeren in handelingsbekwame en handelingsbevoegde professionals. Het aansturen van deze professionals vergt een visionair leiderschap: niet afrekenen op behaalde resultaten in het verleden, maar aansturen op de toekomst, op de mogelijkheden van bijvoorbeeld een gezin. Een leiderschap gestoeld op vertrouwen

-  in ouders: dat zij het beste voor hun kind willen en daar ook hun best voor doen;

-  in kinderen: dat ze graag gezond en veilig willen opgroeien;

- in professionals: dat zij handelingsbekwaam zijn, maar ook weten wanneer hun grenzen in zicht zijn.  

Een visionair leiderschap dat begint bij de gemeenten en zich doorzet in de directies van de betrokken instellingen. Een leiderschap dat ook ruimte geeft om fouten te maken en die weer te herstellen. Een leiderschap dat uitgaat van de kracht van inwoners, de sociale structuren van de stad en van professionals.

Hoe daar te komen?

Stap één is er voor te zorgen dat een gemeente haar inwoners en professionals kent. Denk bijvoorbeeld aan een inventarisatie:

- op basis van statistieken ‘wat zijn sterke en zwakke punten in de sociale structuur van onze gemeente?’;

- op basis van methodieken die in de gemeente worden ingezet;

- van de effectiviteit van bestaande (in)formele netwerken en ketens in de gemeente;

-   en op met inwoners en betrokken professionals ‘waar loop je nou in de dagelijkse praktijk tegenaan, als je met een eenvoudige of ingewikkelde vraag zit en daar samen met de gemeente of maatschappelijke organisatie een oplossing voor wil vinden?’

 Stap twee is om als college van B&W te komen tot een samenhangend beleid dat is georganiseerd rondom de leefgebieden van de inwoners. Een beleid gestoeld op vertrouwen, met ruimte voor verschil in behoeften en mogelijkheden van de inwoners. Een beleid waarin misbruik zwaar wordt gestraft omdat dit ondermijnend is aan de basis van vertrouwen. Toetsing van het beleid vindt plaats aan de consequenties van het beleid op van tevoren vastgestelde indicatoren. Denk hierbij aan toegankelijkheid of aan rechtsgelijkheid van alle bewoners van de stad.

 Stap drie is uiteraard implementatie. En deze implementatie vergt investeringen: in opleiding, in communicatie, in het opheffen van loketten en desktops en het in gebruik nemen van laptops en rugzakken, etc. In samenwerking met de professionals, op basis van het managementprobleem van de burger. Een implementatie die leidt tot efficiency: voor burgers én professionals.